Banner

Maar ik zíe Hem nooit!

17 april 2009 door pastor Tjeerd Visser

We hebben Pasen gevierd. We hebben beleefd en beleden dat er leven is over de dood heen. Dat Jezus uit de doden is opgestaan, de macht van de dood heeft overwonnen. Nieuwe hoop is ontstaan. Ook bij de leerlingen van Jezus in het Evangelie was er iets van een dergelijke verwachting ontstaan. Maria Magdalena had hun verteld dat Jezus uit het graf was opgestaan. Maar toch. Hun angst was niet geweken. Zij hadden immers hun verblijfplaats gesloten, omdat zij bang waren voor de joden. ’Hoe moeten we nu verder? Zal Jezus ons komen helpen? Is ons geloof niet voor niets geweest?’ Zij zijn volledig op zichzelf teruggeworpen.

[Klik hier om het Evangelie van deze zondag te lezen: Johannes 20: 19-31]

Hoewel de situatie van de leerlingen verschilt met die van de onze, kunnen ook wij, om andere redenen, angstig zijn, net als de leerlingen toen. Hun verdriet, eenzaamheid, de onzekerheid van: ‘Wat nu?’, ieder van ons kent deze gevoelens. Ook al hebben we Pasen gevierd. Maar juist hier, in deze situatie, laat het verhaal zien, dat Jezus zijn leerlingen nabij wil zijn. Want door hun gesloten deuren van angst, verdriet en onzekerheid, treedt Jezus in hun midden. ’Vrede zij U’. ’Bezie mijn handen, mijn voeten, mijn zijde, ik ben het zelf’. Geleidelijk maakt angst plaats voor hoop, verdriet slaat om in vreugde, onzekerheid wordt geloof. ’Hij leeft’. Nu weten ze het zeker!

Op de proef gesteld
Heel mooi allemaal. Maar we kunnen onszelf heel terecht de vraag stellen: ‘Waar is Jezus mij in míjn leven zo nabij gekomen, wanneer is Hij mij te hulp gekomen, wanneer ik het moeilijk had?’ Er zijn situaties waarin deze vraag het geloof van mensen, meer dan eens, op de proef gesteld heeft: getroffen worden door een ongeneselijke ziekte, een dierbare verliezen, arbeidsongeschikt raken, de zin van het leven niet meer zien. Als we dat meemaken, door ons heen laten gaan, kunnen we dan nog wel blijven geloven?

Illusie
Zo gezien is de houding van Thomas herkenbaar. De leerlingen vertellen hem, dat Jezus aan hen verschenen is, dat Hij leeft. Wordt hij geacht dit zomaar te geloven? Ze hebben wel gemakkelijk praten. Zij hebben Hem immers gezien en hij niet. En bovendien, misschien was het allemaal maar schijn, illusie. Hij is toch gestorven. Dood is dood. Waarom zou ik nog in Hem geloven. Eerst maar zien en dán geloven. Na alles wat er met Jezus gebeurd is kan Thomas nog maar moeilijk geloven. En bovendien: ze worden zelf vervolgd. Een vanzelfsprekende reactie.

Hulp
En aanvankelijk lijkt Thomas gelijk te krijgen. Het wordt een pijnlijke tijd voor de leerlingen die ervan overtuigd zijn Hem gezien te hebben. Acht dagen duurt het. Een eeuwigheid. Maar dan op eens is Jezus weer in hun midden. Het is alsof Hij weet wat er speelt, want Hij valt met de deur in huis. Jezus komt Thomas’ ongeloof te hulp. Op het moment dat het voor hem onmogelijk was nog in Jezus te geloven, gaat Jezus naast hem staan en toont hem zijn lichaam.

Kritiek?
Maar Jezus lijkt hem te bekritiseren. ’Geloof je in mij, omdat je mij gezien hebt? Zalig zij die niet zien en toch geloven’. Jezus lijkt hier nogal streng: Hij moet toch begrijpen, dat het voor Thomas moeilijk te geloven is, zonder dat hij Hem daadwerkelijk gezien en aangeraakt heeft. Maar ik geloof dat schijn hier bedriegt: Jezus kritiseert niet zozeer Thomas, maar bemoedigt vooral leerlingen die in Hem durven te geloven, ook als Hij niet meer bij hen is. Deze woorden zijn dus ook tot ons gericht! Zalig, wij, die in ons geloof volharden, in tijden dat Jezus ver weg lijkt te zijn. Net als die leerlingen toen, die vervolgd werden om zijn naam, voor wie Hij ook ver weg leek.

Moeilijk
Maar toch. Hoe kunnen wij in Hem geloven, in zijn liefde voor ons, als deze liefde voor ons onzichtbaar, ontastbaar blijft? De verteller erkent dat ook. ’Deze tekenen zijn opgetekend opdat gij moogt leven in zijn naam’. Tekens, zichtbare tekens van Gods liefde voor ons heeft ieder van ons nodig. Immers als iemand zegt van mij te houden, maar deze liefde niet zichtbaar maakt in een gebaar, hoe zou ik dan aan deze liefde kunnen beantwoorden? Het wordt steeds moeilijker te zeggen: ‘Ik houd ook van jou’.

Gezonden
Dit inzicht lijkt mij een opdracht voor ons te zijn om de liefde die we voor elkaar voelen tastbaar en zichtbaar te maken. Ook de leerlingen worden door Jezus opgeroepen de liefde van God voor de mensen door te geven en zichtbaar te maken in deze wereld. Zij worden gezonden om anderen en elkaar vrede toe te zeggen, zoals Hij deed toen Hij bij hen binnen kwam. Daartoe geeft Jezus hun zijn Geest van liefde. Deze Geest moet hen en dus ook ons voortstuwen in het realiseren van deze opdracht.